Frank Lonnee (1957) volgde de Verkeersacademie in Tilburg en de Bestuursacademie van Amsterdam. Hij werkte 9 jaar in verkeers- en ambtelijke functies bij de gemeenten Vlaardingen en Lelystad, en vanaf 1989 bij de Provincie Limburg. In 2002 verruilde hij verkeer voor bodem en ondergrond. ‘Het is mijn droom dat iemand thuis aan de keukentafel de ondergrond helemaal in 3D op zijn tablet kan bekijken.’

Als in het ambtenarenkorps de functie verbindingsofficier zou bestaan, dan zou Frank Lonnee die bekleden. Hij brengt mensen bij elkaar, verknoopt onder- en bovengrond en werkt liefst dwars door sectoren heen. Dat hij bij bodem en ondergrond is uitgekomen is eigenlijk toeval, maar het is wel een terrein waarop zijn verbindende kwaliteiten goed van pas komen.

DE ONDERGRONDWERELD HEEFT MIJN HART GESTOLEN

We spreken elkaar in het fraaie Gouvernement, het fraaie Limburgse provinciehuis dat – tegen alle moderne waterloopkundige inzichten in – aan en gedeeltelijk zelfs ín de Maas is gebouwd.
De belangstelling van Frank Lonnee voor het politiek-bestuurlijke bedrijf ontstond in Vlaardingen, toen hij daar secretaris-notulist van de gemeenteraad was. Het leidde tot een serie opleidingen aan de Bestuursacademie in Zuid-Holland en Utrecht. Daaronder ook volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, een tak van sport die hem na aan het hart ligt.
Naast ordenen is verbinden een door hem veel gebezigd werkwoord. ‘Ik heb me steeds meer ontwikkeld in de richting van de proceskant, de verbindende kant,’ vertelt hij. Op de milieuafdeling van de provincie Limburg kon hij zijn hart ophalen. ‘Onze Provinciale Omgevingsvisie hanteert als algemeen principe de transitie van bodem naar ondergrond, van sectoraal naar integraal. Vijf jaar geleden was het een streven, nu staat er een uitroepteken achter. Daar ben ik echt hartstikke blij om.’

Alert blijven

Tussen 2002 en nu had hij diverse functies. ‘Rode lijn was de bodemverontreiniging en, als die was opgeruimd, de noodzaak van ruimtelijke ordening om het schoon te houden, om functies daar te plannen waar de bodem het aankan. Kwetsbare bodems en natuurwaarden moeten beschermd worden. Als we een circulaire economie willen, mag er geen gif meer in die bodem komen. Na tien jaar Bodemconvenant bestaat de neiging te denken dat de bodemsaneringsopgave erop zit, dat we alle spoedlocaties wel te pakken hebben en nu in de beheerfase zitten. Dat klopt maar gedeeltelijk, kijk naar het opduiken van PFAS[1]. Ineens moesten we in heel Nederland de achtergrondwaarden van PFAS bepalen en vaststellen wat je als samenleving accepteert. Hoeveel van een stof is bedreigend, wat zijn de risico’s? In Limburg valt het gelukkig mee, maar we weten nog niet hoeveel er in het grondwater zit.’
Alert blijven dus. Ondertussen is het bodemdossier ook flink verbreed, en het werk van Lonnee verbreedde mee. ‘Aanvankelijk zwaaide ik als bodemjurist vooral met het wetboek naar bedrijven. Nu werk ik veel meer integraal, in de verbinding van boven- en ondergrond. De ondergrondwereld heeft mijn hart gestolen. Het is daar druk, dat vraagt om ordeningsprincipes.’

Middenbestuur

Een gemiddelde burger ziet bij Limburg glooiende heuvels en bronsgroen eikenhout, bij Groningen kaarsrecht geploegde zwarte voren, bij Noord-Holland groene weiden met slootjes. Kortom: landschap. De provincie als bestuurlijke eenheid is doorgaans terra incognita.
‘Burgers weten inderdaad niet veel van het ‘middenbestuur’. Het rijk kennen ze en de gemeente ook, dat is hun eerste overheidsloket. Sommigen denken daarom dat de provincie er wel tussenuit kan, maar dat geldt niet voor overheden, organisaties en bedrijven. Die weten dat wij er zijn voor taken die gemeenten te boven gaan en waarvan het rijk wegblijft. Een aantal provinciale taken zijn wettelijk voorgeschreven, zoals bodemsanering – vooralsnog tenminste, de Omgevingswet maakt in 2021 gemeenten daarvoor verantwoordelijk. Bepaalde bodemtaken houden we overigens, zoals het beheer van grote saneringslocaties en grondwaterverontreiniging. Dat houdt verband met de Waterwet, die provincies verantwoordelijk stelt voor oppervlakte- en grondwater.’ Logisch: water is grensoverschrijdend.
De provincie pakt ook zelf vraagstukken op, de “autonome taken”. ‘Sinds de decentralisatie is ingezet, wil het rijk niets liever dan dat gemeenten en provincies het initiatief nemen. In de praktijk onderzoeken we tegenwoordig gezamenlijk wat rond een maatschappelijk vraagstuk nodig is, om dat dan te verdelen al naargelang bevoegdheden, kennis, personele en financiële middelen.’

Instrumentenkoffertje

Er is nooit sprake van landjepik?
‘Vroeger wel. In de jaren tachtig en negentig was het adagium ‘je gaat erover of je gaat er niet over’; de wet bakende bevoegdheden strak af. In de Omgevingswet is het vanzelfsprekend dat je in elkaars verlengde werkt. Je begint zo decentraal mogelijk, lukt het daar niet dan ga je een stap hoger. Gemeenten vinden het doorgaans fijn om de provincie op de achterhand te hebben, en een krachtige stem die hen in Den Haag vertegenwoordigt.’

Dan moeten ze zich wel vertegenwoordigd voelen; een goede relatie lijkt me wezenlijk.
‘In de loop van de decennia is die gegroeid. In onze Provinciale Omgevingsvisie zit een deel met regiovisies, die komen van onderop, uit de gemeenten. Neem ook ons onderzoek naar de achtergrondwaarden van PFAS. We hebben gezamenlijk uitgevogeld met welke methodiek we konden bewerkstelligen dat de data bruikbaar zijn voor alle Limburgse gemeenten. In plaats van 31 onderzoeken hebben we er nu één gedaan, en het scheelt de gemeenten 90 % van het werk aan hun bodemkwaliteitskaarten.’
Hij laat een mooi vormgegeven boekje zien: Ondergrond in zicht, inspiraties voor verbindingen van onder- en bovengrond in Maastricht. ‘Dit is een pilot. Het is een soort instrumentenkoffertje voor ondergrondopgaven, mogelijkheden waaruit gemeenten kunnen putten, ook te gebruiken voor hun Omgevingsvisies. Gemeenten zijn enthousiast, maar na vijf boekjes moet ik de aanvragen even op de plank leggen omdat het geld op is.’

Middelen en mensen

Toch hoor ik regelmatig dat samenwerking tussen overheden een hele bevalling kan zijn, ook vanwege de vraag wie wat betaalt.
‘Het lukt inderdaad niet altijd. Zo klinkt al lang de klacht dat bodemmensen bij besluiten over ruimtelijke ordening te laat aan tafel komen en er dan iets wordt neergezet wat de bodem niet kan verdragen. In de verbreding van bodem naar ondergrond proberen we dat te veranderen.’

Heeft de provincie voldoende middelen om de bodemtaken uit te voeren?
‘Primaire reactie: ja. Maar we onderhandelen wel voortdurend met het rijk. De maatschappij staat niet stil; als een Zeer Zorgwekkende Stof opduikt en het rijk even niet thuis geeft, hebben wij een probleem want wij zijn verantwoordelijk. Het expertisecentrum PFAS, ontstaan vanuit het bedrijfsleven, dook in een gat dat de overheid liet vallen. Het is de vraag wat je aan de markt kunt overlaten – daar weet de zorg alles van. Als een stof een risico vormt voor de samenleving moet het rijk zorgen voor wetgeving en normering, gerelateerd aan Europese regelgeving, en wij moeten in stelling worden gebracht om die toe te passen.’

Hebben gemeenten voldoende middelen voor hun toekomstige bodemopgaven?
‘Zij zijn huiverig, vooral voor ‘toevalsvondsten’ van verontreiniging. Volgens de wet is de eigenaar of veroorzaker verantwoordelijk, maar daar valt niet altijd iets te halen. Gemeenten hebben veelal niet de vangnetconstructies van provincies; ze zijn daarover in onderhandeling met het rijk. Overigens blijft de provincie bevoegd voor zogeheten ‘complexe bedrijven’, in Limburg bijvoorbeeld Chemelot, het chemiebedrijventerrein bij Sittard-Geleen. Het staat in de Nationale Omgevingsvisie als een van de gebieden die mogelijk extra aandacht krijgen vanwege hun complexiteit. Voor alles wat daar boven- en ondergronds gebeurt zijn specialisten nodig.’

Chemelot

Kun je als provincie het werk op milieugebied wel goed doen als je geen vergelijkbare bevoegdheden hebt op economisch gebied?
‘Sommige bestuurders hebben meer oog voor economie, andere voor milieu. Daarom is het integrale verhaal zo belangrijk. De botsing tussen milieu- en economische belangen is een voortdurende zorg.’

Zijn ze een beetje in evenwicht?
‘Dat is een politieke vraag, het oordeel is aan het bestuur. Ik vind wel dat ze in de Provinciale Staten evenwichtig in beeld worden gebracht.’
De Provinciale Omgevingsvisie is doordrenkt met duurzame intenties. Hoe is dat te rijmen met ‘logistieke hotspots’, ‘topcorridors voor goederenvervoer’, een luchthaven? Met Chemelot, vol  petrochemie, kunstmest en plastics? Het zijn de meest vervuilende sectoren.
‘Mijn gedeputeerde – van Forum voor Democratie – zet maximaal in op een circulaire economie, en Chemelot wil het duurzaamste bedrijventerrein van Europa worden. Maar het is een politieke discussie waarin grote belangen spelen, daar durf ik niet aan te komen.’

Maar een petrochemische industrie wordt per definitie nooit circulair, en het gesleep met goederen over de wereldbol is ook niet bepaald duurzaam. Zijn de producten van die bedrijven inbegrepen bij de definitie van ‘duurzaamste bedrijventerrein’?
‘Mijn verantwoordelijkheid is de bodem, daarop word ik aangesproken. Maar ik ga me erin verdiepen, zulke vragen wil ik kunnen beantwoorden!’

Steenkolen

Wat kunnen andere provincies leren van Limburg en andersom?
‘Wij zijn er goed in geslaagd partijen bij elkaar te brengen. Het is ook gelukt specialisten – waar veel vraag naar is in verband met de energietransitie – te behouden voor bodemland. Al sinds 2000 hebben we een mooi bodemplatform. Andersom … Toen in Noord- en Zuid-Holland PFAS zich aandiende, zag je provinciale bestuurders daar stevig hun tanden in zetten. Daar mag ik graag van leren en het gebruiken om onze bestuurders te adviseren.’

Wat zijn specifiek Limburgse urgenties op bodemgebied?
‘Bij ons is ondergrond al lang urgent, ten eerste vanwege de steenkolenhistorie. In grote delen van Zuid-Limburg hebben we gaten in de ondergrond, de hele strook van Kerkrade tot  Sittard en Geleen is ondertunneld. Toen het rijk de pompen uitzette, is dat gangenstelsel vol water gelopen, waardoor we last hebben van stijgend mijnwater. De grond komt omhoog, wat leidt tot instabiliteit. In Kerkrade hebben we al huizen moeten sluiten. Met geld van Economische Zaken wordt dat nu in kaart gebracht, zodat we weten wat bovengronds wel en niet kan.’

Mooie bel

‘Tweede aandachtspunt is het behoud van onze voorraad prachtig drinkwater. Zo ligt er onder de Venloschol, het gebied ten oosten van de lijn Tegelen-Venray tot aan Duitsland, een mooie bel die wordt beschermd door een kleilaag. Daarboven ligt nog een grondlaag met een kassengebied erop. Voor die kassen wil men warmte-koudevoorzieningen met buizen in de ondergrond, maar als je door die kleilaag heen gaat prikken, bestaat het risico dat eventuele vervuiling van de bovengrond in het drinkwater terechtkomt. Met alle betrokken partijen rond de tafel is het gelukt beleidsafspraken te maken, uitgaande van warmte-koude voorzieningen maar met bescherming van het drinkwater.’
Hij noemt nog een paar permanente dossiers op zijn bureau: de ‘vergrijzing’ van grondwater; grondstoffenwinning; het illegale gebruik van kalkgrotten voor bijvoorbeeld feesten of hooiopslag.

En zijn persoonlijke urgentie?
‘Het is mijn droom dat we alle bodeminformatie die we hebben zodanig ter beschikking kunnen stellen dat iemand die thuis aan de keukentafel bouwplannen maakt, op zijn tablet de ondergrond helemaal 3D kan bekijken.’
Dat maakt hij waarschijnlijk zelf niet meer mee, want na 41 dienstjaren vindt Frank Lonnee het volgend jaar mooi geweest. ‘Ik heb een kleinkind en veel interessen waar ik niet aan toekom. Het lijkt me heerlijk niet alleen beroepsmatig te lezen en de Verdieping van Trouw helemaal uit te pluizen. Ik ga vogels kijken, misschien nog wat kleine klussen doen, of appels plukken.’

[1]    PFAS staat voor poly- en perfluoroalkylstoffen. De stoffen zijn onder andere water-, vet- en vuilafstotend. Ze komen van nature niet voor in het milieu en kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid.

 

Foto en tekst: © Liesbeth Sluiter

Meer actualiteiten

overzicht →